De Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), de Open Universiteit (OU), de Radboud Universiteit (RU), Tilburg University (TiU), Maastricht University (UM), de Universiteit Utrecht (UU), de Universiteit van Amsterdam (UvA), de Vrije Universiteit (VU) en Wageningen Universiteit (WUR) werken aan dit thema. De coördinator is dr. W.P.C. (Wouter) van Gent van de UvA.

Het centrale thema: ongelijkheid

Het thema Maatschappelijke Ongelijkheid en Diversiteit (MOeD) komt voort uit de zorg over de toegenomen verschillen in hoe verschillende groepen in samenlevingen zich kunnen redden. Het risico bestaat dat maatschappelijke status, levenskansen en welzijn in zekere mate worden bepaald door factoren die al vastliggen vanaf de geboorte, zoals sociaaleconomische achtergrond, etniciteit en gezondheid. Deze ongelijkheid wordt complexer naarmate onze samenlevingen meer divers zijn geworden. Burgers nemen een breder scala aan sociale posities in qua herkomst, huishouden, religie, seksualiteit, gender en klasse, met daaraan-gelieerde sociaal-culturele overtuigingen, sociale netwerken en politieke standpunten. Deze verschillen zijn niet een-op-een gerelateerd aan economische ongelijkheden, maar kunnen deze wel op allerlei manieren doorkruisen met alle sociale gevolgen van dien.

Het MOeD-sectorplan-thema is een noodzakelijke lange-termijninspanning om kennis en strategieën te ontwikkelen om effectief om te gaan met diversiteit in de samenleving, inclusief beleid, en om te waarborgen dat brede groepen in de samenleving niet buitengesloten raken en zich blijvend sociaal verbonden voelen. Daarnaast beoogt het thema meer grip te krijgen op de oorzaken, mechanismes en gevolgen van meervoudige ongelijkheid, om zo aanpakken te implementeren die veerkracht, gezondheid en welzijn kunnen verhogen.

Het MOeD-netwerk heeft een brede expertise op kwesties van diversiteit en ongelijkheid op de gebieden van economie en tewerkstelling, digitale en technologische ontwikkeling, omgeving en milieu, gezondheid en welzijn, en democratie en bestuur. Ruim 50 Sectorplan-gefinancierde academische medewerkers zijn aan het thema verbonden. Zij zijn gepositioneerd binnen dertien disciplinaire eenheden (psychologie, sociologie, bestuurskunde, etc.) op tien faculteiten aan negen universiteiten. Zij worden ondersteund door elf lokale coördinatoren die sectorplan-activiteiten en -bijeenkomsten op facultair en interuniversitair niveau coördineren. We hebben vijf speerpunten voor interuniversitaire samenwerking geformuleerd.

Om deze expertise sector-breed ten gelde te maken richten wij ons op het verhogen van de organisatiegraad door het samenbrengen en integreren van bestaand onderzoek over de grenzen van disciplines en academische instituten. Daarbij hebben we ook als doel om onderwijs te vernieuwen, nieuwe onderzoeksmethodieken te ontwikkelen en onderzoeksimpact te vergroten, samen met maatschappelijke partners. We doen dit aan de hand van vijf speerpunten: arbeid en werk, gezondheid en welzijn, migratie en integratie, klimaat en rechtvaardigheid, co-creatie en participatie.

Speerpunt: Ongelijkheid en diversiteit in werk, organisaties en op de arbeidsmarkt

De Nederlandse arbeidsmarkt verandert in hoog tempo door technologische innovatie, demografische ontwikkelingen, migratie en flexibilisering. Deze trends hebben implicaties voor werkgelegenheid, organisatiepraktijken en de verdeling van kansen. Verschillen naar gender, leeftijd, gezondheid, migratieachtergrond en opleidingsniveau blijven een rol spelen in toegang tot werk, loopbaanontwikkeling en werkzekerheid. Daarnaast brengen nieuwe technologieën zoals algoritmische besluitvorming en AI-ondersteunde HR-processen vragen met zich mee over transparantie, inclusiviteit en gelijkwaardige behandeling. Veranderende Europese en nationale regelgeving vraagt organisaties bovendien om expliciete waarborgen op het gebied van gelijke kansen, diversiteit en verantwoord technologisch gebruik. Dit maakt het noodzakelijk om ongelijkheid en diversiteit systematisch te analyseren binnen de bredere context van de toekomst van werk.

Het Sectorplan richt zich op het begrijpen van hoe verschillende vormen van ongelijkheid en diversiteit doorwerken binnen arbeidsmarkten en organisaties, en individuele loopbanen, en hoe technologische veranderingen en veranderingen in regelgeving deze dynamieken beïnvloeden. We onderzoeken dit vanuit verschillende perspectieven, waaronder:

  1. Ongelijkheid in toegang tot werk
    We onderzoeken structurele ongelijkheden in de toegang tot werk. Wie heeft toegang tot werk, wie krijgt wel of geen kansen om door te stromen, wie krijgt betere arbeidsvoorwaarden, en hoe spelen sociale categorieën zoals gender, leeftijd, seksualiteit, opleiding, het al dan niet hebben van een beperking en migratieachtergrond daarin een rol? Hoe kunnen we vooroordelen en barrières aan de werkgeverskant doorbreken? En wat is het effect van onderwijs, DEI beleid en corporate communicatie?
  2. Precariteit en flexibilisering van werk
    Hier ligt de focus op onzeker werk, zoals tijdelijke contracten, platformwerk, freelanceconstructies en andere vormen van flexibiliteit en onzekerheid binnen werk. We bestuderen hoe verschillen in inkomenszekerheid, sociale bescherming en pensioenopbouw zich ontwikkelen over de levensloop, en hoe, binnen deze institutionele context, bijvoorbeeld gezinsdynamiek samenhangt met kwetsbare arbeidsposities, precaire loopbanen en armoede.
  3. Werkgevers, samenwerking en governance
    Dit perspectief behandelt hoe de rol van werk zich verhoudt tot hoe bedrijven en organisaties functioneren en veranderen, en hoe dit werknemer-werkgeversverhoudingen beïnvloedt. Centraal staan vraagstukken rond organisatiegedrag, governance en coördinatie in een context waarin digitalisering, hybride werk en maatschappelijke verwachtingen organisaties complexer maken.
  4. Migratie en werk
    Hier onderzoeken we de rol van migratie op de arbeidsmarkt. Centraal staat de positie van arbeidsmigranten, en hoe factoren zoals regelgeving, huisvesting, mobiliteit en sociale netwerken hun toegang tot werk, arbeidsvoorwaarden en carrièremogelijkheden beïnvloeden.
  5. Werk, gezondheid en welzijn
    Hier focussen we op werkgerelateerd welzijn, duurzame inzetbaarheid, zelfregulatie, werk-privébalans en job design. De nadruk ligt op hoe bedrijven werknemers kunnen ondersteunen in een omgeving met veranderende eisen en toenemende digitalisering. Welke ongelijkheden spelen hierin een rol?

Speerpunt: Ongelijkheid en diversiteit in gezondheid en welzijn

Gezondheids- en welzijnsverschillen tussen groepen nemen toe in Nederland. Deze ongelijkheden volgen structurele lijnen van sociaaleconomische positie, migratieachtergrond, gender en toegang tot hulpbronnen. Mensen in armoede leven gemiddeld minder gezond, ervaren meer chronische stress en hebben een kortere levensverwachting. Deze verschillen ontstaan vroeg in het leven, stapelen zich op over de levensloop en werken door in onderwijs, arbeidsparticipatie en maatschappelijke betrokkenheid. Het terugdringen van deze ongelijkheden is urgent voor een inclusieve, rechtvaardige en veerkrachtige samenleving.

Het Sectorplan richt zich op het begrijpen én verkleinen van ongelijkheden in gezondheid en welzijn, met expliciete aandacht voor diversiteit in gezinnen, levenslopen en sociale contexten. Centraal staat de vraag hoe maatschappelijke ongelijkheid zich vertaalt in ongelijke gezondheidsuitkomsten, en welke sociale, culturele en institutionele processen deze verschillen bestendigen of kunnen verminderen. Armoede, chronische stress, discriminatie en ongelijke toegang tot passende zorg spelen hierin een centrale rol. Daarnaast is er specifieke aandacht voor de rol van digitalisering en algoritmische besluitvorming in zorg en welzijn, die bestaande ongelijkheden kan verkleinen, maar ook kan versterken door nieuwe vormen van uitsluiting of selectieve zichtbaarheid te creëren. Onderzoek binnen dit thema combineert kwantitatieve en kwalitatieve benaderingen en zet in op co-creatie met professionals, beleidsmakers en ervaringsdeskundigen, zodat kennis en interventies aansluiten bij de leefwereld en praktijk.

Gezondheid en welzijn

Wij benaderen gezondheid vanuit een holistisch perspectief: als een brede, relationele staat van lichamelijk, mentaal en sociaal welzijn en het vermogen van mensen om met fysieke, emotionele en sociale uitdagingen om te gaan. Deze benadering benadrukt dat gezondheid ontstaat in voortdurende interactie tussen individuen, sociale structuren en materiële en digitale omgevingen, inclusief niet-menselijke actoren zoals technologie, en meer is dan de afwezigheid van ziekte.

Aangezien ongelijkheid in gezondheid en welzijn zo complex is, vraagt het verklaren en verminderen ervan een uitgesproken interdisciplinaire aanpak. Het Sectorplan verbindt inzichten uit sociale en gezondheidspsychologie, antropologie en etnografie, gezondheidswetenschappen en ethiek, pedagogische wetenschappen, bestuurskunde, en gedrags- en welzijnseconomie. Enkele voorbeeldvragen zijn:

  • Hoe vertalen sociaaleconomische en culturele ongelijkheden zich in verschillen in gezondheid en welzijn over de levensloop?
  • Hoe sluiten zorg- en ondersteuningssystemen beter aan bij gezinnen en burgers met diverse achtergronden?
  • Welke rol spelen digitale technologieën en data-gedreven besluitvorming in het vergroten of verkleinen van gezondheidsongelijkheid?
  • Hoe kan beleid structurele ongelijkheden verminderen en inclusie en rechtvaardigheid versterken?

Speerpunt: Migratie, integratie & diversiteit

Zoals veel andere Europese landen heeft Nederland te maken gehad met meerdere migratiegolven vanaf de Tweede Wereldoorlog. In eerste instantie waren dekolonisatie en de noodzaak om arbeidstekorten aan te vullen belangrijke drijvers. Daarna hebben gezinsherenigingen, vluchtelingen, de eenwording van Europa, de aantrekkende kracht van de kenniseconomie en de groeiende wereldbevolking (en daarmee de migratiedynamiek) voor een grote groep mensen met een migratieachtergrond gezorgd.

De samenleving verandert niet alleen onder invloed van migratie. De zogenaamde ‘tweede demografische transitie’ voltrekt zich nu al een halve eeuw. De verscheidenheid aan huishoudens alsook de meervoudige betekenissen en veranderende verhoudingen op basis van gender en seksualiteit hebben geleid tot meer diversiteit aan levenslopen en samenlevingsvormen. In combinatie met economische klasse, (sub)culturen en religieuze achtergronden kunnen we spreken van een ‘superdiversiteit’.

Deze bevolkingsveranderingen worden zowel als verrijking als bedreiging gezien voor de Nederlandse maatschappij en economie. Het ‘integratiedebat’ woedt inmiddels dertig jaar en de morele paniek in de politiek lijkt blijvend. Tegelijkertijd wordt dit debat ingehaald door een nieuwe demografische en politieke realiteit. Migratie is nodig voor een behoud van de verzorgingsstaat en economische groei, en de (klein)kinderen van migranten eisen volmondig hun plek op in de Nederlandse samenleving. Dit heeft onder andere geleid tot meer aandacht voor de nalatenschap van slavernij en kolonialisme. Ook zien we dat genderverhoudingen en huishoudenstructuren blijvend veranderd zijn en dat zowel individuele vrijheden als gemeenschapsverbintenissen nog steeds gekoesterd worden. Met andere woorden, de Nederlandse samenleving is sociaal en cultureel enorm divers.

Het Sectorplan richt zich op hoe de Nederlandse samenleving het beste kan omgaan, en zelfs profiteren van sociale diversiteit. Het uitgangspunt is niet een kwestie van politiek maar van sociale realiteit. De bevolkingsveranderingen zijn onomkeerbaar maar veranderen continu qua vorm. Ook de sociale reactie is veranderlijk gezien veranderende media- en electoraal landschappen  waar digitale platforms en mondiale geopolitiek grotere invloed op hebben.

Onderzoekers werken samen met maatschappelijke partners en belanghebbenden om onderzoek en onderwijs te ontwikkelen die licht werpen op de maatschappelijke uitdagingen. Om processen en reacties te begrijpen richten onderzoekers op een breed scala aan onderwerpen over migratie, etniciteit, seksualiteit, gender, levensloop. In algemene zin richten zij zich op de volgende vragen:

  • Hoe werkt sociale ongelijkheid en diversiteit in kruisrelatie tot gender, migratie, religie, onderwijs- en arbeidsmarktpositie en levensloop door in dagelijkse en maatschappelijke processen?
  • Wat zijn de drijvers van migratie, en hoe wordt de mobiliteit en vestiging van (kennis)migranten en vluchtelingen bepaald?
  • Hoe werken verschillende vormen van diversiteit door in domeinen van ondernemerschap, arbeid, gezondheid, wonen, en maatschappelijke en democratische participatie?
  • Hoe werken (post)koloniale machtsverhoudingen door in kennisproductie vandaag de dag?

Speerpunt: Omgeving, klimaat en rechtvaardigheid

De dagelijkse omgeving, vaak rond de woning, speelt een belangrijke rol in ongelijkheid en diversiteit. De woonplek en dagelijkse routines structureren sociale netwerken, filteren politieke informatie en leiden tot blootstelling aan positieve en negatieve omgevingsfactoren (bv. milieukwaliteit, fysieke risico’s, sociale rolmodellen, voorzieningen). Deze ruimtelijke voordelen en nadelen zijn ongelijk verdeeld, en kunnen bovendien voor verschillende groepen burgers anders uitpakken. Waar sommige bevolkingsgroepen deel zijn van de samenleving worden anderen uitgesloten. Veel buitengesloten groepen zijn aangewezen op ongekozen woonomgevingen.

De onzekerheid over een fatsoenlijke en betaalbare plek om te wonen  wordt vergroot door de context van klimaatverandering. De toegenomen directe risico’s op verdroging, verzilting, en overstroming worden steeds meer verdisconteerd in woningmarktdynamieken. Dit roept om interventies om Nederland en andere landen klimaatneutraal te maken. Voorbeelden zijn de energietransitie, groene infrastructuur, en ecologische planning. Zoals de risico’s zijn deze interventies vaak ongelijk verdeeld. Zij hebben vaak een grote impact op sociale ongelijkheid en diversiteit, omdat bepaalde groepen worden buitengesloten óf omdat de bijkomende kosten voor hen onbetaalbaar zijn. Om Nederland en andere landen op een sociaal rechtvaardige manier klimaatneutraal te maken is interdisciplinaire onderzoek cruciaal.

Het Sectorplan heeft als doel om op interdisciplinaire wijze, met experts vanuit verschillende Nederlandse universiteiten, de productie van sociale ongelijkheid rondom omgeving en klimaatvraagstukken te begrijpen én op zoek te gaan naar meer inclusieve oplossingen.

Ten eerste door beter inzicht te verkrijgen in hoe de omgeving en ruimtelijke processen sociale ongelijkheden rond klasse, gender en seksualiteit in stand houden en versterken. Dergelijk werk heeft relevantie voor regionaal en stedelijk beleid, lokaal welzijnswerk en buurt- en burgerinitiatieven op allerlei niveaus.

Daarnaast richt het onderzoek zich op het ontwikkelen van sociale-wetenschappelijke raamwerken die de ecologie van natuurlijke veranderingen en beperkte hulpbronnen kunnen verklaren vanuit mens en maatschappij. Met andere woorden: het vertalen van de harde wetenschappelijke discussies over uitstoot en verandering naar sociale perspectieven op wisselwerking tussen economie, politiek en natuur. Grip op deze processen geeft nieuwe ingangspunten op effectief klimaatbeleid.

Tot slot betreft het onderzoek het erkennen van de gevolgen van klimaatmaatregelen, en hoe verschillende groepen en actoren op verschillende manieren door maatregelen kunnen worden beïnvloed. Hier komt de term ‘rechtvaardigheid’ om de hoek kijken, in de manier waarop dit onderzoek de onevenredige verschillen in de gevolgen van klimaatverandering voor groepen en plaatsen die historisch gezien achtergesteld zijn, erkent.

Voorbeeldvragen zijn:

  • Hoe bepaalt de omgeving het welzijn en levenskansen van sociale minderheden en onderdrukte groepen?
  • Hoe vindt inclusie en exclusie plaats rondom klimaatvraagstukken?
  • Hoe hebben ontwikkelingen op het gebied van stedelijke planning, (groene) infrastructuur, energietransitie en ecologische veranderingen impact op sociale ongelijkheid en diversiteit?
  • Welke ‘best practices’ rondom meer inclusieve interventies zijn er?
  • Hoe kunnen we toewerken naar een Nederland waar klimaatgerichte interventies sociaal inclusief zijn?
  • Hoe kan Nederland een voortrekkersrol vervullen op het gebied van klimaatrechtvaardigheid?

Speerpunt: Co-creatie en participatie voor een inclusieve samenleving

Ongelijkheid beïnvloedt in hoge mate wie participeert in het democratisch proces en wie niet. Mensen in kwetsbare posities – door armoede, migratie-ervaring, beperkte toegang tot informatie of wantrouwen in instituties – worden structureel minder gehoord. Dit vergroot maatschappelijke afstand en ondermijnt de legitimiteit van beleid.

Onderzoek laat zien dat inclusieve besluitvorming alleen mogelijk is wanneer diverse groepen daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op kennisproductie én beleidsvorming. Tegelijkertijd wordt onderzoek over ongelijkheid vaak uitgevoerd over groepen die uitsluiting, marginalisering of andere vormen van structurele ongelijkheid ervaren, door onderzoekers die hiermee meestal geen persoonlijke ervaring hebben. De perspectieven van gemeenschappen in nood zijn zelden het startpunt van onderzoek. Om beleid of onderzoek te ontwerpen dat echt bijdraagt aan het verminderen van ongelijkheid, is het belangrijk om een diversiteit van perspectieven aan elkaar te verbinden. Denk bijvoorbeeld aan onderzoek over racisme, waarbij het perspectief van gemeenschappen die in Nederland racisme ervaren cruciaal is geweest voor zowel wetenschap als samenleving om racisme als een serieus probleem te erkennen en te onderzoeken.

Het Sectorplan richt zich op het begrijpen van barrières voor politieke en maatschappelijke participatie én op het ontwikkelen van nieuwe, gelijkwaardige vormen van samenwerking. Co-creatie betekent het verbinden en samen ontwikkelen van verschillende soorten kennis in dialoog met elkaar, met een sterke focus op het perspectief van mensen die van uitsluiting ervaren of aan de marge staan. Dit betekent de kennis van groepen mensen die vaak het object zijn van onderzoek serieus nemen als startpunt van onderzoek, en deze kennis te betrekken in verschillende fases van kennisproductie. Niet alleen individuele ervaring, maar ook collectieve vormen van kennis die ontstaan door het delen van ervaringen in gemeenschappen, zijn hierin van belang.

Co-creatie tussen academici, professionals, beleidsmakers, citizen scientists en ervaringsdeskundigen staat centraal: van gedeelde probleemdefinitie tot gezamenlijke interpretatie van resultaten. Deze aanpak verbetert zowel de kwaliteit van onderzoek en onderwijs als de bruikbaarheid ervan voor de praktijk.

Voorbeeldvragen zijn:

  • Welke vormen van co-creatie leiden tot duurzame, gelijkwaardige en respectvolle samenwerking tussen wetenschap en samenleving?
  • Hoe kunnen citizen scientists en ervaringsdeskundigen actief bijdragen aan onderzoek en onderwijs, en wat levert dit op?
  • Hoe kunnen we verschillende vormen van kennis (academische kennis, beroepskennis, ervaringskennis) aan elkaar verbinden?
  • Hoe beïnvloeden ongelijkheid en diversiteit de bereidheid en mogelijkheden van burgers om politiek deel te nemen?